Natuurcompenseren

Een paard is een paard is een paard; voorspelbaar volgens het evolutionaire programa paard.
Het paard is een diersoort welke is geevolueerd om efficient te zijn in een specifieke niche. Het paard is door natuurlijke selectie geprogrammeerd met een set specifieke eigenschappen; gespecialiseerd gedrag en een gespecialiseerd lijf.

Wanneer een dier onder niet soortspecifieke omstandigheden gehouden wordt, dan is dat voor dit dier suboptimaal, hetgeen inhoudt dat dit niet optimal in conditie is. Niet lichamelijk en niet geestelijk.

Om op een paard te kunnen rijden is het onvermijdelijk dat we de rijdieren houden binnen een omheining, en dat is per definitie net zo onnatuurlijk als erop gaan zitten. Deze twee onnatuurlijke gegevens zijn afwijkingen van de natuurlijke omstandigheden, suboptimaal en daarvoor moeten we compenseren.
Om dit en de consequenties daarvan te kunnen begrijpen is kennis en inzicht nodig.

Om paardgericht met een paard om te kunnen gaan is het logisch dat:
1. de houder dit programma kent; de ethologie van de diersoort paard kent
2. het paard paard kan zijn; volgens de ecologie van de diersoort paard leeft

Paardrijden volgens HC gaat uit van een normaal paard. Dat is een paard dat zich als een paard gedraagt, en lekker in diens paardenvel zit.

Wetenschappelijke studies zijn al decennia helder over de eigenschappen van de diersoort paard, over diens evolutionair bepaalde programma, en over de basisvoorwaarden welke aan paardhouden gesteld dienen te worden:

- buitenruimte
- een sociale groep
- voeding op basis van ruwvoer

Een paard is een dier dat uitwijkt en voor uitwijken is buitenruimte nodig. Fysiek heeft het beweging en frisse lucht nodig. Psychisch is een paard een claustrofoob en lichamelijk zijn de longen en het onderstel de zwakke plekken als hier niet aan voldaan wordt.
Door het paard te stallen wordt het belet te bewegen en ademt het lucht van mindere kwaliteit.

Door het paard te isoleren wordt het sociaal contact ontnomen.
Voor een paard is het leven in een familiegroep of een vrijgezellengroep normaal. Alle andere is abnormaal voor het paard. Een sociale groep met enkel merries en ruinen is al een compromis; de hengsten zijn intiators van 75% van het gedrag in groepen! Dit ter illustratie van de grote consequenties van schijnbare kleinigheden.

Dat de meeste paarden gedwongen worden om onder suboptimale omstandigheden te leven maakt dit wellicht voor veel paardenhouders 'normaal' in de zin van 'de modale situatie' maar het is geenszins de norm als we kijken naar de welzijncriteria van de diersoort paard.

Voorbeeld:
De hoeven van een paard zijn een fraai voorbeeld van een evolutionair resultaat. De hoeven van een paard zijn door natuurlijke selectie zo geworden doordat de paarden leefden zoals deze leefden; de hoeven zijn een afgeleide van de omstandigheden.
De paardenhoef is een fraai staaltje van aanpassingsvermogen en de bandbreedte van de omstandigheden waaronder deze hoef voldoet is behoorlijk groot: andere omstandigheden, andere hoef.
Hier in de bergen van andalusie zien we een verschil tussen winterhoeven (koud en nat) en zomerhoeven (droog en hard): wanneer de natte winter eens wat bruusk over gaat in een droge hete zomer, dan slijt de winterlaag heel rap onder de zool uit en breekt de daardoor uitstekende, drooghardede hoefwand af tot op het niveau van de nieuw zool. Het enige wat voor dit process nodig is, is beweging, mechanische frictie.
Ditzelfde fenomeen is waarneembaar in de Nederlandse Oostvaardersplassen.
Wanneer de hoeven van een paard ‘onderhouden’ moeten worden door menselijk handelen, dan is dat feitelijk door ingrijpen compenseren van suboptimale omstandigheden.

Bij normale sociale interactie van paarden is er sprake van waarschuwingen, dreigingen en soms een knal. De gever noch de ontvanger van die knal zijn er door de natuur op voorbereid dat de mens soms een stalen boksbeugel onder een hoef timmert.

Het in een sociale groep houden van paarden is een welzijnscriterium, en het normale sociale gedrag sluit het beslaan met hoefijzers uit.

Over capaciteit en overcapaciteit.

Een dier evolueert op maat van de omstandigheden; heel specifiek zelfs op het NET overleven van de meest kritische momenten in de leefomstandigheden. Dit houdt in dat een diersoort geen overcapaciteit bezit, alleen NET genoeg.

Het eventuele verschil tussen de meest kritische omstandigheden en de omstandigheden van het moment KAN inhouden dat het systeem van het paard een zekere overcapacitiet bezit, en dat er dus rek in de belastingsgraad zit.

Door op een paard te gaan zitten verhogen we de belastingsgraad van het dier met zomaar een kwart, en dat nog alleen wanner we er geen extra geestelijke stress door veroorzaken: geestelijke stress telt net zo zwaar als lichamelijke.
Dit houdt in dat we de natuurlijke overcapaciteit van de systemen van een paard snel overschrijden.
Als een paard onder suboptimale omstandigheden gehouden wordt is er geen sprake van een optimaal functionerend systeem en is er weinig tot geen overcapaciteit, dus is berijden dan overbelasting .

Voorbeeld:
Wanneer een ruiter een paard zodanig belast dat de hoeven de omstandigheden niet aankunnen is het beslaan een negatieve situatie.
Het feit dat de hoeven de situatie niet aankunnen geeft aan dat er een overbelasting is: de leefomstandigheden geven minder overcapaciteit in het systeem dan aan belasting gevraagd wordt.
Het beslaan van de hoeven houdt in dat het paard niet in een sociale groep leeft = nog suboptimalere omstandigheden. De combinatie van overbelasting en suboptimale omstandigheden is een zekere weg naar structurele problemen, dierenleed.

Het houden van een dier onder suboptimale omstandigheden is ethisch niet verantwoord.
Een dier overbelasten is ethisch niet verantwoord.
In de modale ruiterij worden suboptimaal gehouden paarden overbelast.
Het ‘paardgericht’ werken heeft daarbij geen zin. Het is niet realistisch om deze paarden dan met een zogenaamd paardgerichte aanpak te willen opvoeden of opleiden: een paard moet eerste een paard ZIJN om als een paard behandeld te kunnen worden. Dit begint met de omstandigheden waaronder het dier leeft: de rest is een afgeleide.
Letterlijk en figuurlijk; het compenseren van de verschillen ten opzichte van de natuurlijke leefomstandigheden opdat het totaal zo goed mogelijk aansluit bij de ethologie en ecologie van het paard.